ECLI:NL:RBDHA:2022:8543
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onredelijkheid van overplaatsing leerlingen na schietincident op mbo-locatie
De moeder van twee minderjarige leerlingen vordert in kort geding dat de mbo-instelling haar kinderen weer toelaat tot de oorspronkelijke opleidingslocatie na een overplaatsing naar aanleiding van een schietincident nabij de school. De mbo-instelling had de leerlingen overgeplaatst om de veiligheid op de locatie te waarborgen, verwijzend naar de onderwijsovereenkomst en algemene voorwaarden.
De rechtbank stelt vast dat het schietincident niet valt onder de organisatorische of onderwijsinhoudelijke redenen zoals bedoeld in de algemene voorwaarden, maar dat het bevoegd gezag wel passende maatregelen mag nemen op grond van een algemene bepaling. De rechtbank weegt dat de mbo-instelling beleidsvrijheid heeft, maar toetst terughoudend of het besluit redelijk is.
Het oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is dat de overplaatsing bijdraagt aan het beoogde doel van veiligheid en dat de leerlingen zelf niet betrokken waren bij het incident of de drillrapgroepen. De overplaatsing heeft verstrekkende negatieve gevolgen voor de leerlingen, waaronder stigmatisering en langere reistijd. De leerplichtambtenaar steunt het besluit niet.
Daarom is het besluit onredelijk en wordt de mbo-instelling bevolen de leerlingen per 29 augustus 2022 weer toe te laten tot de oorspronkelijke locatie. Tevens wordt de mbo-instelling veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de mbo-instelling om de leerlingen per 29 augustus 2022 weer toe te laten tot de oorspronkelijke opleidingslocatie.