ECLI:NL:RBDHA:2022:8487
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen maatregel inkomensondersteuning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een maatregel van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag waarbij zijn inkomensondersteuning met 100% werd gekort voor de duur van twee maanden. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de maatregel te schorsen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en oordeelde dat bij financiële geschillen doorgaans geen sprake is van spoedeisend belang, tenzij er een onomkeerbare situatie zoals faillissement dreigt. Verzoeker stelde dat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien, geen financiële reserves had en geen sociaal netwerk om op terug te vallen. Ook was de huur over juli en augustus niet betaald.
Toch vond de voorzieningenrechter deze omstandigheden onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen, omdat er geen dreiging was van ontruiming of verlies van ziektekostenverzekering. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat zonder diepgaand onderzoek niet kon worden aangenomen dat het besluit in de bodemprocedure geen stand zou houden.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de maatregel van 100% inkomensondersteuning voor twee maanden wordt afgewezen.