ECLI:NL:RBDHA:2022:8223
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijf bij vader op grond van artikel 8 EVRM na belangenafweging
Eiseres, geboren in 2005 en van Syrische nationaliteit, verzocht om verblijf in Nederland bij haar vader, die een asielvergunning bezit. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de familierechtelijke relatie en een negatieve belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Eiseres betoogde onder meer dat zij feitelijk tot het gezin van haar vader behoort en dat een DNA-onderzoek had moeten worden aangeboden om de relatie te bevestigen. Tevens stelde zij dat de belangenafweging onjuist was en dat de zorgplicht uit de Definitierichtlijn en de toetsing aan de Gezinsherenigingsrichtlijn niet correct waren toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden deugdelijk had meegewogen, waaronder het langdurig ontbreken van contact tussen eiseres en haar vader, haar verblijf in Turkije en het ontbreken van financiële ondersteuning. De belangenafweging viel daardoor terecht in het nadeel van eiseres uit. Ook werd geoordeeld dat de Definitierichtlijn niet van toepassing was omdat eiseres en haar vader in verschillende landen verblijven, en dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet rechtstreeks rechten aan eiseres verleent.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor verblijf bij vader op grond van artikel 8 EVRM.