ECLI:NL:RBDHA:2022:7816
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard
Eiser, met de Jemenitische nationaliteit, diende op 7 december 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Zweden volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland heeft een verzoek tot terugname aan Zweden gedaan, dat dit verzoek heeft aanvaard.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt voor Zweden, omdat hij in Zweden een asielprocedure heeft doorlopen en daar is uitgeprocedeerd. Hij stelde dat Zweden hem onterecht de Jemenitische nationaliteit ontzegde en dat hij geen opvang meer krijgt, waardoor Nederland de aanvraag zelf had moeten behandelen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zweden zijn internationale verplichtingen niet nakomt zoals vereist op grond van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De vrees van eiser voor gebrek aan opvang is onvoldoende, mede omdat Zweden heeft gegarandeerd een nieuw asielverzoek in behandeling te nemen. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die overdracht aan Zweden van onevenredige hardheid maken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Zweden wordt ongegrond verklaard.