ECLI:NL:RBDHA:2022:7795
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken van gronden in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 29 december 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 8 maart 2022. Verzoeker stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoekschrift geen gronden bevatte waarop het verzoek tot voorlopige voorziening was gebaseerd. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een verzoekschrift ten minste de gronden van het verzoek bevatten. Verzoeker werd tweemaal schriftelijk verzocht alsnog gronden in te dienen, maar gaf geen gehoor aan deze verzoeken.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en werd het verzoek niet inhoudelijk behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.