ECLI:NL:RBDHA:2022:7793
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoekschrift op de aanwezigheid van gronden, zoals vereist op grond van artikel 6:5 Awb Pro en artikel 8:81 Awb Pro. Verzoeker heeft echter geen gronden ingediend, ondanks twee schriftelijke verzoeken om deze alsnog binnen gestelde termijnen aan te leveren.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.