ECLI:NL:RBDHA:2022:7722
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 7 mei 2021. Het bezwaar tegen dit besluit is eveneens ongegrond verklaard op 20 december 2021. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening alleen mogelijk is zolang de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Aangezien op dezelfde dag, in een andere zaak met nummer AWB 21/7474, de rechtbank reeds op het beroep heeft beslist, is een voorlopige voorziening niet meer mogelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens wordt overwogen dat, ondanks dat het beroep gegrond is verklaard, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, waardoor geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 18 juli 2022 en er staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep heeft beslist.