ECLI:NL:RBDHA:2022:7580
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling bij intrekking beroep niet tijdig beslissen verblijfsvergunning
Verzoekster diende op 10 april 2020 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde een beslistermijn en dwangsom vast. Na een tweede beroep en het alsnog nemen van een besluit trok verzoekster het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
Verweerder erkende dat aan verzoekster tegemoet was gekomen door het besluit en stemde in met proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van samenhangende zaken met het beroep van haar echtgenoot, omdat de beroepen afzonderlijk en op verschillende zittingsplaatsen waren behandeld.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van € 379,50 aan proceskosten, gebaseerd op de waardering van de rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan zonder zitting en het verzoek tot proceskostenveroordeling werd als kennelijk gegrond toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 379,50 aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep.