ECLI:NL:RBDHA:2022:7394
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering opheffing inreisverbod wegens niet voldoen aan voorwaarden en evenredigheidsbeginsel
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om opheffing van een inreisverbod van twee jaar dat in 2017 is opgelegd na een terugkeerbesluit. Hij wilde in Spanje verblijven en werken, maar verweerder wees het verzoek af omdat eiser niet kon aantonen dat hij ononderbroken een voldoende lange periode buiten de EU heeft verbleven, zoals vereist volgens artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit.
Eiser voerde aan dat verweerder ambtshalve tot opheffing had moeten overgaan of contact had moeten zoeken met Spaanse autoriteiten, verwijzend naar artikel 25 van Pro de Schengen Uitvoeringsovereenkomst en een arrest van het Hof van Justitie uit 2018. De rechtbank oordeelde dat deze bepalingen niet van toepassing zijn omdat er geen bewijs is dat de Spaanse autoriteiten een verblijfstitel overwogen of contact hebben gezocht met Nederland.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde eveneens. Hoewel het inreisverbod ingrijpend is voor eiser, rechtvaardigt zijn eerdere onttrekking aan terugkeer en het ontbreken van bewijs van vertrek uit de EU de weigering. Ook het verzoek tot terugbetaling van het griffierecht werd afgewezen omdat het inreisverbod geen vrijheidsbeperking inhoudt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.