ECLI:NL:RBDHA:2022:738
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Verzoekster had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als familie- of gezinslid, die met terugwerkende kracht tot 15 december 2019 werd ingetrokken door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tevens werd haar aanvraag tot verlenging afgewezen en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door verweerder ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde zij beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde dit verzoek op 12 januari 2022.
Gezien de uitspraak in een gerelateerde zaak (AWB 21/5691), waarin het beroep van verzoekster gegrond werd verklaard met instandhouding van de rechtsgevolgen, oordeelde de voorzieningenrechter dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen.
De uitspraak werd op 2 februari 2022 in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter A.P. Hameete, met griffier B. Tijssen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt afgewezen.