ECLI:NL:RBDHA:2022:7329

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2022
Publicatiedatum
20 juli 2022
Zaaknummer
AWB 21/4722
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep tegen beslissing op bezwaar

Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door verweerder niet in behandeling werd genomen middels een besluit van 27 januari 2021. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzettingshandelingen te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.

Voor de zitting op 11 februari 2022 had verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit ingetrokken, waarna de aanvraag alsnog in behandeling werd genomen. Met instemming van partijen vond de zitting niet plaats.

De voorzieningenrechter oordeelde dat omdat tegen de beslissing op bezwaar geen beroep was ingesteld, niet werd voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro. Hierdoor werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd op 22 juni 2022 in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en griffier J.C. de Grauw. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de beslissing op bezwaar geen beroep is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/4722
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van 22 juni 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. [1]
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat geen uitzettingshandelingen mogen worden verricht totdat op het bezwaar is beslist.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 11 februari 2022.
Verweerder heeft op 7 februari 2022 een verweerschrift ingediend.
Voordat de zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 7 februari 2022 (de beslissing op bezwaar) het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit ingetrokken en de aanvraag van verzoekster alsnog in behandeling genomen.
Met instemming van partijen is de zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2]
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder bij besluit van 7 februari 2022 op het bezwaar van verzoekster heeft beslist. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen beroep ingesteld.
3. Nu tegen de beslissing op het bezwaar van verzoekster geen beroep is ingesteld, wordt niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Een verblijfsvergunning in de zin van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).