ECLI:NL:RBDHA:2022:7326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
20 juli 2022
Zaaknummer
C/09/516232 / FA RK 16-6123
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 RvArt. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 827 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding uitgesproken ondanks lopende procedure in India wegens langdurige vertraging

De man heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot echtscheiding ingediend, terwijl de vrouw in India een lopende hoger beroepsprocedure heeft met betrekking tot haar echtscheidingsverzoek. De Indiase procedure loopt al bijna zeven jaar zonder zicht op een onherroepelijke beslissing.

De rechtbank overweegt dat artikel 12 Rv Pro een discretionaire bevoegdheid geeft om een procedure aan te houden bij een lopende buitenlandse procedure, maar dat deze bevoegdheid niet onbeperkt is. Gezien de langdurige vertraging en het redelijk belang van de man bij voortzetting van de Nederlandse procedure, wordt de aanhouding opgeheven en wordt de echtscheiding uitgesproken.

De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen vanwege onvoldoende onderbouwing. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De echtscheiding wordt uitgesproken op basis van duurzaam ontwricht huwelijk, hetgeen door de vrouw niet is betwist.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en verklaart het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 16-6123
Zaaknummer: C/09/516232
Datum beschikking: 28 juni 2022

Scheiding

Beschikking op het op 8 augustus 2016 ingekomen verzoek van:

[naam 1] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer te 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[naam 2] ,

de vrouw,
wonende in India,
advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege te 's-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 29 mei 2018 van deze rechtbank is:
  • bepaald dat de behandeling van het verzoek tot echtscheiding wordt aangehouden tot
  • bepaald dat de vrouw zich uiterlijk twee weken voor deze datum – of zoveel eerder als de Indiase rechter onherroepelijk heeft beslist op het echtscheidingsverzoek van de vrouw – dient uit te laten over de voortgang van de echtscheidingsprocedure in India;
  • iedere verdere beslissing ten aanzien van de echtscheiding met nevenvoorzieningen en de proceskosten aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • de brief van 13 augustus 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • de brief van 5 augustus 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • de brief van 29 maart 2022, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het bericht van 13 mei 2022, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • de brief van 19 mei 2022, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.
Op 24 mei 2022 is de behandeling van de zaak ter zitting voortgezet. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, mevrouw [naam 3] . Tevens was aanwezig mr. S.E. de Geus (waarnemend voor mr. F. Borger van der Burg-Holstege) met een kantoorgenoot. De vrouw is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht
Bij tussenbeschikking van 17 juli 2017 heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van de man tot echtscheiding dient te worden aangehouden tot de Indiase rechter onherroepelijk heeft beslist op het echtscheidingsverzoek van de vrouw.
De man geeft aan dat in de hoger beroepszaak in India nog steeds geen uitspraak is gedaan. Volgens de man is er op korte termijn ook geen uitspraak te verwachten. De man is dan ook van mening dat hij er belang bij heeft dat de echtscheidingsprocedure in Nederland wordt voortgezet.
De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij is van mening dat de Nederlandse procedure dient te worden aangehouden tot in India onherroepelijk op het echtscheidingsverzoek van de vrouw is beslist.
De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals reeds in de beschikking van 17 juli 2017 is overwogen, schept artikel 12 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een discretionaire bevoegdheid de zaak aan te houden indien eerder een zaak tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt. Niet ter discussie is dat de rechtbank onder omstandigheden aan deze discretionaire bevoegdheid voorbij kan gaan.
Inmiddels staat vast dat de procedure in India al lange tijd loopt. De vrouw heeft op 1 juli 2015 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de Indiase rechter. Dit verzoek is in eerste aanleg afgewezen, waarna de vrouw op 3 februari 2017 hoger beroep heeft ingesteld. Onduidelijk is op welke termijn in die procedure een beslissing zal worden genomen. De laatste handelingen in de zaak hebben blijkens de volgens de man overgelegde “Case Status” plaatsgevonden eind 2018. Nu er nog steeds, bijna zeven jaar na het indienen van het echtscheidingsverzoek en vijf jaar na het instellen van hoger beroep, geen zicht is op een (onherroepelijke) beslissing, is de rechtbank van oordeel dat de man een redelijk belang heeft bij voortzetting van de echtscheidingsprocedure in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat van de man niet langer kan worden verwacht dat hij de uitkomst van de hoger beroepsprocedure in India afwacht. Om die reden ziet de rechtbank niet langer aanleiding deze procedure aan te houden. Daarbij weegt de rechtbank nog mee dat beide partijen willen dat het huwelijk wordt ontbonden, nu zij daar beiden – zij het in een ander land – een verzoek toe hebben ingediend.
De rechtbank gaat onder bovenstaande omstandigheden voorbij aan het bevoegdheidsverweer van de vrouw en zal het verzoek hierna inhoudelijk beoordelen.
Toepasselijk recht
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Nu de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, geldt de in artikel 815, tweede lid, Rv processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken in dit geval niet. De man is dus ontvankelijk in zijn verzoek.
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Afwikkeling huwelijksvermogen
De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen. Daartoe overweegt de rechtbank dat het verzoek van de man niet is onderbouwd. De man heeft enkel een formulier verdelen en verrekenen overgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek aan te houden en partijen in de gelegenheid te stellen daarover nadere standpunten in te nemen, alsmede een nieuwe mondelinge behandeling te plannen. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit in het licht van artikel 827, eerste lid sub f Rv leiden tot een onredelijke vertraging van deze reeds zeer langlopende procedure.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum huwelijk] 2005 te [huwelijksplaats] , India;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, rechter, bijgestaan door mr. L.C. Vos als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 juni 2022.