Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] in Marokko, eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
die gegevens niet uit het dossier kan halen” en dat het eerste verblijfsrecht van eiser dat bekend is, start op 28 december 1994.
a) het belang van het kind;
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
kunnenhouden met argumenten van eiser die zien op zijn familie- en gezinsleven, zijn gezondheidstoestand en het eerbiedigen van het beginsel van non-refoulement, eenvoudigweg omdat eiser niet mondeling en/of schriftelijk heeft gereageerd op het voornemen. Dit betekent dus dat bij het nemen van het terugkeerbesluit niet is voldaan aan de vereisten die artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn stelt. De intrekking van het verblijfsrecht is weliswaar voorzien van een motivering, maar het toetsingskader voor een intrekking en de weging van persoonlijke omstandigheden bij het intrekken van een verblijfsrecht is niet eensluidend aan het doel en de motivering van het opleggen van een terugkeerbesluit.
in weerwil van het inreisverbod eerder kiest voor het plegen van een misdrijf dan inspanningen te verrichten tot het vertrek uit Nederland”.
nietaan het toezicht zal onttrekken gelet op de onomkeerbare gevolgen voor de reguliere procedure indien hij zich niet langer beschikbaar en bereikbaar houdt voor verweerder. Het inreisverbod is in die zin in de onderhavige procedure veeleer een contra-indicatie voor de aanname dat uit een zwaar inreisverbod een onttrekkingsrisico volgt. De vaste Afdelingsjurisprudentie dat indien een zware grond feitelijk juist is, hiermee het onttrekkingsrisico is gegeven, is dan ook niet onverkort van toepassing op de onderhavige procedure. Deze zware grond kan dus niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.
herhaaldelijk heeft aangegeven niet eigener beweging te zullen vertrekken” geeft een vertekend beeld omdat eiser slechts éénmaal is gehoord, waarbij, nadat hem is uitgelegd dat aan hem een terugkeerplicht is opgelegd, meerdere vragen zijn gesteld en hij al deze vragen heeft beantwoord zoals ook van hem wordt verwacht.
zalkunnen worden. Eiser heeft ter zitting verklaard deze uitkering nog te ontvangen en bovendien staat de ongewenstverklaring (nog) niet in rechte vast en is tegen het betreffende besluit een rechtsmiddel aangewend. In de maatregel is niet gemotiveerd en/of onderbouwd dat de uitkering ten tijde van de oplegging is beëindigd dan wel op korte termijn zal worden beëindigd. Eiser beschikt ten tijde van de oplegging van de maatregel en ten tijde van de rechtmatigheidsbeoordeling door de rechtbank dus wel over voldoende middelen van bestaan. Dat eiser thans geen inkomsten uit arbeid heeft betekent dus niet dat er een risico bestaat dat eiser zich vanwege deze omstandigheid aan het toezicht zal onttrekken.
zoudenzijn vermeld die vanaf 2001
zoudenzijn gepleegd en waarop
zouzijn vermeld dat aan eiser in 2004 een ISD-maatregel is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen uittreksel uit de justitiële documentatie aan het dossier heeft toegevoegd zodat de rechtbank dit niet kan controleren. Om te motiveren dat uit deze veroordelingen een onttrekkingsrisico zou blijken is overwogen dat “
mede gelet op de strafrechtelijke antecedenten uit diens vroegere gedrag valt af te leiden dat eiser de wet waarschijnlijk niet zal respecteren en zich niet zal houden aan de op hem rustende terugkeerverplichting”. Daargelaten dat niet is uitgelegd welke andere gedragingen dan de strafrechtelijke antecedenten worden bedoeld, valt niet in zien dat opiumwetdelicten enig verband houden met onttrekkingsrisico en het al dan niet voldoen aan een terugkeerverplichting waarvan eiser ten tijde van de oplegging bovendien niet op de hoogte was. Ook deze lichte grond kan niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. De rechtbank stelt overigens vast dat verweerder geen stuk aan het dossier heeft toegevoegd waaruit blijkt dat aan de Officier van Justitie toestemming is gevraagd om eiser te verwijderen. Nu -kennelijk-sprake is van een aanzienlijke documentatie, had verweerder dit wel dienen na te gaan. Indien er immers vanuit de strafrechtketen bezwaar bestaat tegen de verwijdering van eiser had de maatregel ook om deze reden niet mogen worden opgelegd. Ook dit is een gebrek in de voorbereiding en motivering van de maatregel.
wegens humanitaire of andere redenen kan worden afgezien van een inreisverbod, maar dat wat is aangevoerd onvoldoende is om wegens humanitaire redenen af te zien van het inreisverbod”. Deze overweging is nogal wrang gelet op de aard en strekking van een inreisverbod met een duur van 10 jaar en het feit dat eiser niet is gehoord en stelt het voornemen niet te hebben ontvangen en dus feitelijk helemaal niets heeft aangevoerd.