ECLI:NL:RBDHA:2022:7146
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonkarakter nabetaling en juridische kosten in belastingzaak 2019
Eiseres was van juli 2016 tot maart 2017 in dienst bij een sportschool die haar activiteiten in 2017 overdroeg aan een hotel. Zij ontving voor februari en maart 2017 geen loon en vorderde dit via een verstekvonnis, waarna een schikking van €7.500 werd getroffen in 2019.
De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag op voor 2019, waarbij dit bedrag als loon werd beschouwd. Eiseres stelde dat het deels juridische kosten betrof die niet als loon belast mogen worden. De rechtbank oordeelt dat het loonbegrip conform de Wet IB 2001 en Wet LB moet worden toegepast, waarbij het genietingstijdstip bepalend is.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het loon in 2017 vorderbaar en inbaar was, waardoor de nabetaling terecht in 2019 is belast. Ook wijst de rechtbank het standpunt af dat een deel van de nabetaling juridische kosten betreft, omdat partijen in de schikking elk hun eigen kosten dragen en het gebruik van het bedrag voor juridische kosten geen invloed heeft op de loonkarakterisering.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de nabetaling van €7.500 in 2019 terecht als loon is aangemerkt.