ECLI:NL:RBDHA:2022:6883
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in verblijfsrecht partner gemeenschapsonderdaan
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd vastgesteld dat haar verblijfsrecht als partner van een gemeenschapsonderdaan met ingang van 6 januari 2020 nooit heeft bestaan. Het primaire besluit dateert van 29 oktober 2021 en het bestreden besluit van 23 maart 2022 verklaarde haar bezwaren ongegrond.
Verzoekster heeft daarop beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Gezien de uitspraak in een gerelateerde zaak (zaaknummer NL22.6738) en de inhoudelijke beoordeling heeft de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.