ECLI:NL:RBDHA:2022:6871
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- S.J. Hoekstra - van Vliet
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot verbod op feitelijke overlevering aan Duitsland in kort geding
De eiser is verdachte in een Duitse strafzaak en werd op grond van een Europees Aanhoudingsbevel aangehouden in Nederland. De rechtbank Amsterdam heeft de overlevering aan Duitsland reeds toegestaan. De eiser vordert in kort geding dat de Staat wordt verboden tot feitelijke overlevering over te gaan zolang er een Nederlandse strafprocedure loopt of een strafvonnis nog niet volledig is uitgevoerd.
De eiser voert aan dat de overlevering de cassatieprocedure in Nederland belemmert, strijdig is met het ne bis in idem-beginsel en dat er ernstige humanitaire redenen zijn die overlevering in de weg staan. De rechtbank oordeelt dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is voor het overleveringsverzoek en dat het kort geding neerkomt op een verkapt hoger beroep, wat niet is toegestaan.
De aanvullende argumenten van de eiser over belemmering van cassatie en humanitaire redenen worden niet aannemelijk gemaakt. De voorlopige terbeschikkingstelling is bedoeld voor situaties waarin de strafzaak nog niet onherroepelijk is en kent voorwaarden om aanwezigheid bij de Nederlandse strafzaak te waarborgen.
De rechtbank wijst het gevorderde af en veroordeelt de eiser in de proceskosten. De beslissing is genomen door de voorzieningenrechter S.J. Hoekstra - van Vliet en uitgesproken op 16 mei 2022.
Uitkomst: Het gevorderde verbod op feitelijke overlevering aan Duitsland wordt afgewezen.