Eiseres, een Iraanse jongvolwassene, vroeg een visum voor kort verblijf aan om haar vader in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens twijfel over het verblijfsdoel, onvoldoende aantoonbare binding met Iran en een risico voor de volksgezondheid vanwege COVID-19.
De rechtbank oordeelde dat de Minister niet alle relevante omstandigheden, zoals de volledige afhankelijkheid van eiseres van haar moeder en de gevorderde fase van haar studie, in samenhang had betrokken. Ook was onvoldoende gemotiveerd waarom het aanbod tot betaling van een waarborgsom werd afgewezen.
Daarnaast was de weigeringsgrond op basis van de volksgezondheidsdreiging niet deugdelijk gemotiveerd, omdat niet was onderzocht of eiseres onder een uitzonderingscategorie viel. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de Minister zes weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij een ex nunc-beoordeling vereist is. Vergoeding van griffierecht en proceskosten werd toegewezen.