ECLI:NL:RBDHA:2022:671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
NL21.18423
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62, tweede lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 66a, achtste lid, Vreemdelingenwet 2000Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stellen asielaanvraag ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Dit besluit is genomen omdat eiser zonder bericht niet is verschenen voor het nader gehoor en geen contact heeft gezocht met verweerder ondanks de geboden mogelijkheid.

Tijdens de zitting, die samen met een andere zaak werd behandeld, was eiser niet aanwezig. Verweerder heeft het voornemen en de uitnodiging voor het nader gehoor aan het bij hem bekende adres verzonden, waarvan de verzendadministratie in het dossier is opgenomen. De rechtbank oordeelt dat verweerder het besluit terecht heeft genomen.

De rechtbank stelt vast dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn aanvraag, omdat hij in een penitentiaire inrichting in Nederland verblijft en contact onderhoudt met zijn gemachtigde. De inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek is echter niet aan de orde gekomen vanwege het niet verschijnen van eiser.

Verder is een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd. De enkele stelling dat eiser familieleven onderhoudt in Nederland is onvoldoende om het inreisverbod te laten vervallen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18423
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.18424, plaatsgevonden op 26 januari 2022 te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Allereerst is ter beoordeling of eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn aanvraag. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat eiser in een penitentiaire inrichting in Nederland verblijft en contact met hem onderhoudt. Niet gezegd kan worden dat eiser geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook belang heeft bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Het beroep van eiser is ontvankelijk.
2. Eiser is zonder enig bericht niet verschenen voor zijn nader gehoor. Hij heeft evenmin gereageerd op de mogelijkheid, geboden in het voornemen, om binnen twee weken contact op te nemen met verweerder. Verweerder heeft het voornemen en de uitnodiging voor het nader gehoor aan het bij verweerder bekende adres van eiser, afkomstig van de Basisregistratie personen, toegezonden. In het digitale dossier heeft verweerder de verzendadministratie getoond. Niet is gebleken dat verweerder het voornemen niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht buiten behandeling gesteld. Verweerder is daarom ook terecht niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zal lopen op een schending van artikel 4 van Pro het Handvest. [1]
3. Dit brengt met zich dat terecht een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn is uitgevaardigd [2] en dat vervolgens terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaren is uitgevaardigd. [3] De enkele niet onderbouwde stelling dat eiser familieleven moet onderhouden met familieleden en een partner in Nederland, is onvoldoende om van de uitvaardiging van een inreisverbod af te zien. [4]
4. Het beroep is dan ook ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zoals bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.