ECLI:NL:RBDHA:2022:6648
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening uitstel vertrek
Verzoeker diende een voorlopige voorziening in om uitzetting te voorkomen nadat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek tot uitstel van vertrek had afgewezen. Later verleende de staatssecretaris alsnog uitstel van vertrek voor de periode van 11 mei 2021 tot 12 mei 2023. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker de voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het primaire besluit niet was geschorst en dat er geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk. De voorzieningenrechter benadrukte dat de veroordeling in proceskosten alleen mogelijk is wanneer het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt aan de indiener van het verzoek, wat hier niet het geval was.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.