ECLI:NL:RBDHA:2022:6478

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
5 juli 2022
Zaaknummer
AWB_21-741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing mvv-aanvraag wegens onvoldoende motivering hechte persoonlijke banden

Eisers hebben een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij familie, welke door verweerder is afgewezen. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eisers en hun jongere broer, de referent.

Daarnaast is het besluit onbegrijpelijk gemotiveerd doordat verweerder ook de banden tussen eisers en hun ouders heeft beoordeeld, maar daarbij de verkeerde volgorde hanteerde door direct over te gaan tot een belangenafweging zonder eerst vast te stellen of sprake was van een beschermingswaardig gezinsleven. Tevens heeft verweerder binnen die belangenafweging onterecht getoetst aan een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en het jongvolwassenenbeleid.

Verweerder is niet verschenen tijdens de zitting en heeft partijen niet gehoord over hun invulling van het familieleven, wat volgens de rechtbank wel had moeten gebeuren gezien de betrokken artikel 8 EVRM Pro aspecten.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen 8 weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit binnen 8 weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/741
mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 juni 2022
in het openbaar uitgesproken door mr. S. Mac Donald, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Vaalburg, griffier.
in de zaak tussen

[eiser 1] ,

V-nummer: [v-nummer 1] ,
[eiser 2] ,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
en
[eiser 3] ,
V-nummer: [v-nummer 3] ,
hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. A. Spel)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Overwegingen

Bij besluit van 17 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een mvv [1] voor het doel “verblijf bij familie/gezin” afgewezen.
Bij besluit van 11 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2022. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen. Referent en zijn ouders waren aanwezig. Als tolk is verschenen M.D.M. Metry.
Na afloop van de behandeling van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen 8 weken na het verzenden van het proces-verbaal van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.518,- te betalen (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Overwegingen

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom tussen referent en eisers geen sprake is van hechte persoonlijke banden. In het besluit is niet duidelijk terug te lezen dat er rekening is gehouden met het feit dat referent en eisers, tot het vertrek van referent, altijd hebben samengewoond en dat zij samen in Syrië in een moeilijke situatie zaten vanwege de oorlog. Ook heeft verweerder niet kenbaar betrokken dat het feit dat referent en eisers met zijn vieren naar Turkije zijn vertrokken, ook maakt dat zij een bijzondere band met elkaar hebben. Dat is ook in bezwaar en bij de aanvraag toegelicht. Uit het bestreden besluit volgt niet dat verweerder deze omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van hechte persoonlijke banden heeft betrokken.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het besluit berust op een onbegrijpelijke motivering. Behalve de banden tussen referent en zijn broers en zus, heeft verweerder – zo begrijpt de rechtbank – ook de banden tussen eisers en hun ouders getoetst. Daarin heeft verweerder echter niet de juiste volgorde gehanteerd. In plaats van eerst te beoordelen of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eisers en hun ouders in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] , is verweerder namelijk direct overgegaan tot het maken van een belangenafweging.
Daar komt bij dat verweerder, binnen de belangenafweging, alsnog – zo leest de rechtbank het besluit – heeft getoetst of sprake is van beschermingswaardig familieleven tussen eisers en hun ouders. Verweerder beoordeelt namelijk binnen de belangenafweging of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Bovendien betrekt verweerder binnen die belangenafweging opnieuw, zijdelings, de voorwaarden voor de vaststelling of eisers voldoen aan het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank acht deze beoordeling onnavolgbaar, en is ook daarom van oordeel dat verweerder het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder is niet op zitting verschenen en heeft dus niet kunnen vertellen hoe de rechtbank het besluit moet lezen.
Als verweerder vindt dat hij in het kader van de aan het besluit liggende aanvraag de gezinsband tussen eisers en hun ouders moet beoordelen, had het op zijn minst op de weg van verweerder gelegen om partijen, dat wil zeggen om eisers, dan wel referent, of hun ouders, te horen zodat duidelijk is wat de situatie is, wat hun banden zijn, en hoe zij daaraan invulling geven. Dat geldt te meer nu sprake is van een aanvraag in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank wijst erop dat ook in de Werkinstructie over horen en mandatering vermeld wordt dat er in de regel moet worden gehoord in zaken waarin 8 EVRM-aspecten aan de orde zijn.
Gelet op al het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond, en vernietigt zij het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van 8 weken.

RechtsmiddelTegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.