ECLI:NL:RBDHA:2022:6302
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking verblijfvergunning familie- of gezinslid
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot intrekking van zijn verblijfvergunning met het verblijfsdoel 'verblijf als familie- of gezinslid' met terugwerkende kracht tot 8 juni 2021. Tevens werd zijn aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel naar 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' afgewezen.
De staatssecretaris heeft het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tegelijkertijd vroeg hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter overwoog dat in een gelijktijdige uitspraak in de hoofdzaak het beroep ongegrond werd verklaard. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfvergunning wordt afgewezen.