ECLI:NL:RBDHA:2022:628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel nareis bij haar vader, die een verblijfsvergunning asiel bezit. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres haar identiteit niet aannemelijk kon maken met de overgelegde schoolpas en doopakte, die onderling tegenstrijdige geboortedata bevatten en niet als substantieel bewijs werden erkend.
Daarnaast kon eiseres de familierechtelijke relatie met haar vader niet aannemelijk maken. Verweerder stelde dat geen sprake was van bewijsnood, omdat geen geldige reden was gegeven voor het ontbreken van officiële documenten. De rechtbank volgde dit standpunt en hechtte geen waarde aan de doopakte als indicatief bewijs.
Eiseres voerde aan dat de discrepanties in geboortedata verklaard konden worden door een vergissing bij kalenderomrekening en dat verweerder ten onrechte geen bewijsnood aannam voor de familierechtelijke relatie. De rechtbank verwierp deze argumenten en oordeelde dat verweerder terecht van het horen van eiseres en referent kon afzien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank concludeerde dat eiseres haar identiteit en familierechtelijke relatie niet aannemelijk had gemaakt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en familierechtelijke relatie.