ECLI:NL:RBDHA:2022:6004

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
NL22.4316
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 7:15 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na verstrekking vreemdelingenidentiteitsbewijs

Eiseres, met de Armeense nationaliteit, had een aanvraag gedaan voor verlening van een vreemdelingenidentiteitsbewijs, welke door verweerder werd afgewezen wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf. Na bezwaar en beroep werd het beroep behandeld op 25 mei 2022. Tijdens de procedure verleende verweerder voorlopig uitstel van vertrek en toezegging tot verstrekking van het identiteitsbewijs, waardoor eiseres geen procesbelang meer had.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat eiseres met de toezegging haar doel had bereikt. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank veroordeelde verweerder wel tot vergoeding van proceskosten, gelet op de tegemoetkoming en de vaste jurisprudentie.

De proceskosten werden vastgesteld op € 2.277,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter S.E. van de Merbel en griffier A.S. Hamans op 16 juni 2022 te Middelburg.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang, met veroordeling van verweerder tot betaling van € 2.277,- aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.4316

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiseres

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om haar een vreemdelingenidentiteitsbewijs te verstrekken ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Simonian. Tevens waren aanwezig de echtgenoot en de dochter van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Griffierecht
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De griffier heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank met het door haar op 29 maart 2022 overgelegde formulier voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen.
Inleiding
2. Eiseres is geboren op [Geboortedatum] en heeft de Armeense nationaliteit.
3. Bij besluit van 2 februari 2018 is de asielaanvraag van eiseres afgewezen. Bij uitspraak van 12 maart 2018 [1] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
4. Bij besluit van 10 juli 2019 is de asielaanvraag van eiseres opnieuw afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast vanwege de uitspraken van 17 januari 2020 [2] van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en van 20 maart 2020 [3] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
5. Op 10 februari 2020 heeft eiseres uitstel van vertrek om medische redenen gevraagd zoals bedoeld in artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 2 maart 2020 en op 10 juli 2020 zijn er adviezen uitgebracht door het Bureau Medische Advisering van verweerder. Tot op heden is er geen definitieve beslissing genomen op deze aanvraag.
6. Op 28 september 2021 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om verlening/vernieuwing van een vreemdelingenidentiteitsbewijs (W/W2-document) vanwege het verlopen van de geldigheidsduur van het eerder aan haar verleende document. Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Vw, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
7. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. In beroep heeft eiseres daartegen, kort weergegeven, aangevoerd dat het in strijd is met de evenredigheid en de menselijke maat om gedurende ruim twee jaar te talmen met beslissen op de aanvraag om uitstel van vertrek zonder een document te verstrekken waarmee zij zich in het maatschappelijk verkeer kan bewegen.
8. Op 24 mei 2022, de dag voor de zitting, heeft verweerder meegedeeld dat aan eiseres, in afwachting van een definitieve beslissing, voorlopig uitstel van vertrek is verleend van 23 mei 2022 tot 23 november 2022, of zoveel korter tot het moment van de definitieve beslissing. Daarnaast heeft verweerder meegedeeld dat alsnog aan eiseres, alsook aan haar gezinsleden, een vreemdelingenidentiteitsbewijs zal worden verstrekt. Doordat aan eiseres voorlopig uitstel van vertrek is verleend, heeft zij immers rechtmatig verblijf. Ter zitting heeft verweerder zijn excuses aangeboden voor het feit dat de aanvraag om uitstel van vertrek zo lang is blijven liggen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid
9. Volgens verweerder dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Immers, inmiddels is toegezegd dat het door eiseres gevraagde vreemdelingenidentiteitsbewijs zal worden verstrekt. De rechtbank volgt verweerder hierin. Voor het aannemen van procesbelang bij het voeren van een procedure is namelijk vereist dat de indiener in een materieel gunstiger positie kan geraken. Omdat eiseres al heeft bereikt wat zij met deze procedure wenst te bereiken, wordt aan dit vereiste niet voldaan.
10. In de aanvullende beroepsgronden van 24 mei 2022 en ter zitting heeft eiseres een verzoek om schadevergoeding gedaan en gesteld dat er om die reden nog wel sprake is van procesbelang. Voor het kunnen aannemen van procesbelang wegens een verzoek om schadevergoeding is echter vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat er daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van de besluitvorming die in deze zaak voorligt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd waaruit de door haar gestelde schade bestaat en hoe zij is gekomen tot het door haar gevraagde bedrag van € 100,- per dag aan schadevergoeding. De rechtbank verwijst op dit punt naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019. [4] De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten
11. Eiseres heeft verzocht om verweerder te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat daartoe de mogelijkheid. Dat is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2021. [5] De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen door alsnog aan haar het gevraagde vreemdelingenidentiteitsbewijs te verstrekken. De enkele omstandigheid dat deze verstrekking het gevolg is van het alsnog verlenen van tijdelijk uitstel van vertrek, wat volgens verweerder moet worden gezien als een afzonderlijke procedure, is onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij betrekt de rechtbank de ter zitting door verweerder gegeven toelichting dat de aanvraag om verlening van uitstel van vertrek bij verweerder ten onrechte uit beeld is geraakt en juist door het op zitting plannen van het onderhavige beroep weer onder de aandacht is gekomen.
12. Omdat met het alsnog verstrekken van een vreemdelingenidentiteitsbewijs ook de rechtsgevolgen van het primaire besluit worden herroepen, en dit niet gelegen is in feiten of omstandigheden die zich sinds het primaire besluit hebben voorgedaan, ziet de rechtbank aanleiding om zowel de proceskosten in bezwaar als in beroep voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Hierbij verwijst de rechtbank naar de artikelen 7:15, tweede lid, en 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
13. De te vergoeden kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.277,- bestaande uit een punt voor het indienen van het bezwaarschrift, een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 2.277,- (tweeëntwintighonderdzevenenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

3.Zaaknummer 202001011/1/VI (niet gepubliceerd).