ECLI:NL:RBDHA:2022:5684
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na intrekking verblijfsvergunning mensenhandel
Verzoeker heeft een verblijfsvergunning op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel gehad, die met terugwerkende kracht per 29 maart 2021 is ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tevens is zijn aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel naar 'humanitair niet-tijdelijk' afgewezen. Verzoeker heeft tegen het bezwaar tegen deze intrekking beroep ingesteld bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak gedaan zonder zitting. Omdat de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit op dezelfde dag ongegrond heeft verklaard, is er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer. Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. van Nooijen en griffier R.W. Craanen op 13 mei 2022. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het onderliggende beroep reeds ongegrond is verklaard.