ECLI:NL:RBDHA:2022:5369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 mei 2022
Publicatiedatum
7 juni 2022
Zaaknummer
NL22.8577
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 64 VwArt. 106 VwArt. 21 VWEU
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiser, een Poolse EU-onderdaan, werd op 25 april 2022 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring. De maatregel werd op 11 mei 2022 opgeheven, waardoor de rechtbank zich beperkte tot de beoordeling van de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging en het verzoek om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat hij rechtmatig in Nederland mocht verblijven op grond van artikel 21 van Pro het VWEU en artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet, en dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast. De rechtbank stelde vast dat bij beschikking van 22 juli 2020 was vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland en dat zijn aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet op 10 mei 2022 was afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende onderbouwde waarom een lichter middel passend zou zijn geweest en dat verweerder de keuze voor bewaring voldoende had gemotiveerd. Gezien deze omstandigheden werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8577

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 11 mei 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 13 mei 2022 heeft eiser de beroepsgronden ingediend. Op 18 mei 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 25 mei 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1979 en de Poolse nationaliteit te bezitten.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser is een EU-onderdaan en doet daarbij een beroep op artikel 21 van Pro het VWEU. [2] Tevens stelt eiser op grond van artikel 64 van Pro de Vw in Nederland te mogen verblijven. Tot slot voert eiser aan dat een lichter middel kon worden toegepast.
4. Bij beschikking van 22 juli 2020 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland op grond van het Unierecht. Het enkele feit dat hij een EU-onderdaan is maakt dat niet anders. Eisers aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vw is op 10 mei 2022 afgewezen, wat betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf kan ontlenen aan het voornoemde artikel.
5. Eiser onderbouwt op geen enkele wijze waarom een lichter middel toegepast had moeten worden. Verweerder heeft daarentegen in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom in eisers geval niet voor een lichter middel is gekozen.
6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.