ECLI:NL:RBDHA:2022:5364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
C/09/627198 / KG ZA 22-281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30p Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming door rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen ouders

Partijen zijn gezamenlijk ouder en gezagdragers van een minderjarige die momenteel bij de moeder verblijft. De rechtbank had op 26 november 2020 een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige eens per vier weken op zondag onder begeleiding bij de vader zou verblijven.

Sinds januari 2022 woont de minderjarige bij de moeder en haar moeder, waarna de vader de minderjarige niet meer heeft gezien. De vader vordert nakoming van de zorgregeling en een dwangsom bij niet-nakoming. De moeder voert verweer met een gedragsverandering van de minderjarige en stelt mishandeling door de vader en diens moeder, en wil eerst professionele hulp.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de moeder haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de zorgregeling onder begeleiding beperkt is. Daarom moet de zorgregeling worden hervat. Er wordt geen dwangsom opgelegd omdat de moeder wordt geacht de regeling na te leven. De vader heeft toegezegd dat de begeleiding voorlopig niet door zijn moeder, maar door anderen zal plaatsvinden. Partijen worden aangeraden samen professionele hulp te overwegen.

De kosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld de zorgregeling zoals vastgesteld na te komen zonder dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/627198 / KG ZA 22-281
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 12 mei 2022
in de zaak van
[de vader]te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
eiser,
advocaat: mr. H.J. Ruysendaal te Rotterdam,
tegen:
[de moeder]te [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. G. Hagens te Berkel en Rodenrijs.
Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.
Aanwezig is mr. C.W. de Wit, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A.W. Spee, griffier.
Verschenen zijn:
- de vader in persoon, bijgestaan door mr. Ruysendaal voornoemd;
- de moeder in persoon, bijgestaan door mr. Hagens voornoemd.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Vaststaat dat partijen samen de ouders zijn van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ). Partijen oefenen samen het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft op dit moment samen met de moeder bij haar oma moederszijde in [plaats 2] .
1.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 november 2020 is bepaald dat [de minderjarige] na een korte opbouwregeling eens per vier weken op zondag van 10 uur tot 18 uur bij de vader zal zijn onder begeleiding van [oma vaderszijde] (oma vaderszijde), [A] of [B] .
1.3.
De ouders hebben vanaf de zomer van 2021 met [de minderjarige] samengewoond in [plaats 1] . De moeder is in die periode opnieuw zwanger geraakt.
1.4.
Op 5 januari 2022 is de moeder met [de minderjarige] bij haar moeder in [plaats 2] gaan wonen. Sindsdien heeft de vader [de minderjarige] niet meer gezien.
1.5.
De vader vordert in deze procedure de moeder te veroordelen tot medewerking aan de zorgregeling neergelegd in de beschikking van 26 november 2020, op straffe van een dwangsom van € 300,-- per weekend dat de omgang niet wordt nagekomen, met een maximum van € 9.900,--.
1.6.
De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd. Zij stelt dat er sprake is van een gedragsverandering bij [de minderjarige] in negatieve zin. Zij heeft een terugval in de zindelijkheid en slaapt slechter. Volgens de moeder komt dit omdat de vader en zijn moeder [de minderjarige] zouden mishandelen. De moeder wil dat er eerst professionele hulp komt voor [de minderjarige] voordat de zorgregeling wordt hervat.
1.7.
De vader heeft betwist dat hij of zijn moeder [de minderjarige] zouden mishandelen.
1.8.
De vordering van de vader zal grotendeels worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
1.9.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nageleefd. Het moet immers in het belang van [de minderjarige] worden geacht dat zij contact heeft met beide ouders. Dit kan echter anders zijn indien nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat de zorgregeling niet (meer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht.
1.10.
De moeder stelt weliswaar dat er sprake is van een gedragsverandering bij [de minderjarige] , maar zij heeft deze stelling op geen enkele manier onderbouwd. Daar komt bij dat de vastgestelde zorgregeling beperkt is en dat deze op basis van de beschikking van de rechtbank reeds onder begeleiding moet plaatsvinden. Onder die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] moet worden hervat en zal zij de moeder veroordelen deze regeling na te komen.
1.11.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een dwangsom aan deze veroordeling te verbinden. Hij gaat ervan uit dat de moeder de zorgregeling vanaf heden zal nakomen.
1.12.
De voorzieningenrechter merkt verder op dat de vader ter zitting heeft toegezegd dat de zorgregeling voorlopig niet onder begeleiding van zijn moeder maar onder begeleiding van [A] of [B] zal plaatsvinden.
1.13.
Tot slot geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging samen in gesprek te gaan over mogelijke problemen bij [de minderjarige] en hiervoor zo nodig professionele hulp in te schakelen.
1.14.
Omdat partijen samen de ouders zijn van [de minderjarige] , zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
veroordeelt de moeder om de zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking van deze rechtbank van 26 november 2020 na te komen;
2.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL
…………………………………. …………………………………
mr. A.W. Spee mr. C.W. de Wit