ECLI:NL:RBDHA:2022:5166
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, verzocht op 22 november 2021 om een visum voor kort verblijf in Nederland voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek af omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende had aangetoond en zij niet over voldoende middelen van bestaan beschikte. Tevens bestond twijfel over haar terugkeer na het verblijf.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij sterke sociale en economische banden met Suriname heeft, onder meer door haar woonplaats bij familie, haar professionele voetbalcarrière en eerdere visumverlening met tijdige terugkeer. Ook stelde zij dat de hoorplicht was geschonden, verwijzend naar het Sopropé-arrest.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de aangevoerde sociale en economische banden onvoldoende zijn om terugkeer te garanderen. Er was geen bewijs van zwaarwegende sociale verplichtingen en de economische banden waren niet sterk genoeg, mede doordat de opleiding elders gevolgd kan worden en de voetbalverklaringen gedateerd waren. De twijfel werd versterkt door tegenstrijdige opgaven over de verblijfsduur en eerdere verblijfsaanvragen.
De rechtbank verwierp het beroep op het Sopropé-arrest omdat het besluit niet belastend was en eiseres bezwaar had kunnen maken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.