Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres
[derde-partij], te [woonplaats], ex-werknemer.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een geschil tussen een werkgever die als eigenrisicodrager optreedt en het UWV over de voortzetting van een Ziektewet-uitkering aan een ex-werknemer. De werkgever verzocht om beëindiging van de uitkering per 6 januari 2020, gebaseerd op een bedrijfsartsrapport dat stelde dat de werknemer weer in staat was om minimaal 25 uur per week te werken. Het UWV nam een besluit tot beëindiging, maar herzag dit na bezwaar van de werknemer en besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten.
De rechtbank beoordeelde de medische rapporten van verzekeringsartsen die concludeerden dat de werknemer vanwege beperkingen niet volledig belastbaar was voor zijn eigen arbeid en dat een urenbeperking gerechtvaardigd was. De rechtbank vond de rapporten zorgvuldig en overtuigend, waarbij ook werd meegewogen dat de werknemer tijdens re-integratie slechts beperkt kon werken en dat er een collega aanwezig was die werkzaamheden overnam.
De werkgever kon de medische beoordeling niet overtuigend betwisten. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht het bezwaar van de werknemer had gegrond verklaard en dat de Ziektewet-uitkering per 6 januari 2020 ongewijzigd moest worden voortgezet. Het beroep van de werkgever werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de Ziektewet-uitkering wordt per 6 januari 2020 ongewijzigd voortgezet.