ECLI:NL:RBDHA:2022:5014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2022
Publicatiedatum
25 mei 2022
Zaaknummer
NL22.1224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:1 AwbArt. 1:3 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd tot behandeling aanvullend terugkeerbesluit

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, had bij besluit van 27 januari 2020 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen na afwijzing van zijn asielaanvraag. Verweerder legde op 19 januari 2022 een aanvullend terugkeerbesluit op, waarin expliciet werd vermeld dat de terugkeerinspanningen zich op Algerije richten.

Eiser stelde dat het aanvullend terugkeerbesluit onrechtmatig was vanwege onjuiste personalia, het ontbreken van een handtekening en het niet horen in een taal die hij machtig was. De rechtbank toetste ambtshalve haar bevoegdheid en concludeerde dat het aanvullend besluit geen nieuwe rechtsgevolgen creëert, aangezien het oorspronkelijke terugkeerbesluit al Algerije als land van terugkeer benoemde.

Daarom is het aanvullend terugkeerbesluit geen appellabel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, en verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.1224

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Bij besluit van 27 januari 2020 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit terugkeerbesluit aangevuld en meegedeeld dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op Algerije.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat zijn personalia niet correct zijn opgenomen, omdat een handtekening ontbreekt en omdat er geen deugdelijke voorbereiding heeft plaatsgevonden aangezien hij blijkens het proces-verbaal van gehoor niet, dan wel in de Nederlandse taal is gehoord, die hij niet machtig is.
4. De bestuursrechter toetst ambtshalve zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep. In dat kader doet zich de vraag voor of het bestreden besluit nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept en daarmee is aan te merken als een appellabel besluit.
5. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit alleen is genomen om expliciet een land van terugkeer te vermelden. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het hiervoor genoemde terugkeerbesluit van 27 januari 2020 al voldoende blijkt dat Algerije het land is waarnaar eiser volgens verweerder moet terugkeren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens dit besluit ervan uit wordt gegaan dat eiser de Algerijnse nationaliteit heeft, dat eisers asielaanvraag is afgedaan op de grond dat Algerije een veilig land van herkomst was en dat niet blijkt van indicaties dat (tevens) een ander land van terugkeer is beoogd.
6. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen rechtsgevolgen in het leven roept die niet al eerder waren ontstaan. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb beroep kon worden ingesteld.
7. Dat betekent dat de rechtbank kennelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar uitgesproken door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.