ECLI:NL:RBDHA:2022:4694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
17 mei 2022
Zaaknummer
AWB 21/998
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster heeft een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend, welke door verweerder is afgewezen bij het primaire besluit van 6 juni 2020. Tegen dit besluit maakte verzoekster bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, die op 24 december 2020 werd toegewezen. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond bij besluit van 11 februari 2021, waartegen verzoekster beroep instelde en opnieuw een voorlopige voorziening verzocht.

Tijdens de beroepsprocedure trok verweerder het bestreden besluit van 11 februari 2021 in en gaf aan opnieuw op het bezwaar te zullen beslissen. Verzoekster trok haar beroep in, maar handhaafde haar verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat door de intrekking van het bestreden besluit de rechtstoestand in bezwaar herleeft, waardoor verzoekster rechtmatig verblijf heeft.

Daarom heeft verzoekster geen belang meer bij de voorlopige voorziening en is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit is ingetrokken en de rechtstoestand in bezwaar herleeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/998

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2022 in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen bij uitspraak van 24 december 2020 [2] .
Bij besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In de beroepsprocedure heeft verweerder bij brief van 5 april 2022 het bestreden besluit van 11 februari 2021 ingetrokken. Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat opnieuw op het bezwaar zal worden beslist.
Verzoekster heeft bij brief van 5 april 2022 haar beroep ingetrokken. Zij heeft hierbij aangegeven dat zij haar verzoek om een voorlopige voorziening handhaaft.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep in de procedure met zaaknummer AWB 21/997 te bepalen dat verweerder de uitzetting van verzoekster achterwege dient te laten, tot vier weken na de beslissing op het beroepschrift.
3. Vastgesteld wordt dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 24 december 2020 heeft bepaald dat uitzetting van verzoekster uit Nederland achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu het bestreden besluit door verweerder is ingetrokken en verweerder een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, de rechtstoestand in bezwaar herleeft, zoals deze was ten tijde van de hiervoor aangehaalde uitspraak, en daarmee de werking van bedoelde uitspraak. Dit betekent dat verzoekster rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000.
5. Verzoekster heeft daarom geen belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2022.
De voorzieningenrechter is verhinderd te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer AWB 20/5050.