ECLI:NL:RBDHA:2022:4564
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verblijfsvergunning en mvv-vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM
Eisers, bestaande uit een moeder en haar drie kinderen met de Indonesische nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor verblijfsvergunningen in Nederland. De aanvraag van de dochter voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk en de aanvragen van de overige kinderen voor verblijf bij haar zijn door de Staatssecretaris afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Eisers stelden dat zij op grond van artikel 8 EVRM Pro vrijgesteld hadden moeten worden van het mvv-vereiste, omdat de kinderen in Nederland zijn geboren, hier naar school gaan en sociaal geworteld zijn. Zij betoogden dat terugkeer naar Indonesië schadelijk zou zijn, onderbouwd met een gedragswetenschappelijk rapport en een schoolverklaring.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in zijn belangenafweging en dat er een fair balance is gevonden tussen het privéleven van eisers en het algemeen belang van een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank verwierp het beroep op de Wortelingswet en de stelling dat de hoorplicht is geschonden. Het beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en de weigering tot vrijstelling van het mvv-vereiste wordt ongegrond verklaard.