ECLI:NL:RBDHA:2022:4508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
09/008435-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen afwijzing verzoek reclassering schorsingsrapportage in strafzaak

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 10 mei 2022 uitspraak gedaan op een bezwaarschrift van de verdachte, die wordt verdacht van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte had de rechter-commissaris verzocht om de reclassering een schorsingsrapportage te laten opmaken, maar dit verzoek werd op 30 maart 2022 afgewezen. De rechtbank heeft het bezwaarschrift op 26 april 2022 behandeld, waarbij de verdachte en de officier van justitie zijn gehoord. De verdachte betoogde dat de rechter-commissaris de proceshouding niet had mogen betrekken en dat de reclassering zelf de noodzaak van een schorsingsrapportage moest beoordelen. De officier van justitie stelde dat het verzoek ongegrond was, omdat schorsing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde was en de verdachte zich op zijn zwijgrecht beriep, wat een delictanalyse door de reclassering bemoeilijkte.

De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris de juiste maatstaf had toegepast door het verzoek af te wijzen, aangezien een schorsingsrapportage niet direct bijdroeg aan de beslissingen die op basis van de artikelen 348 en 350 Sv genomen moesten worden. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift ongegrond voor zover het gericht was tegen de afwijzing van het verzoek om een schorsingsrapportage en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de weigering van de rechter-commissaris om ambtshalve onderzoekshandelingen te verrichten. De beslissing werd ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/008435-22
Raadkamernummer: 22/827
Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer, op het bezwaarschrift ex artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende op [adres] ,
thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]
voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. J.G.W.M. Lut, op het adres Bordewijklaan 50, 2591 XR Den Haag,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte wordt verdacht van – kort gezegd – het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. De rechter-commissaris heeft op 3 maart 2022 zijn inbewaringstelling bevolen.
De verdachte heeft op 18 maart 2022 de rechter-commissaris verzocht om de reclassering een schorsingsrapportage te doen opmaken.
Bij beschikking van 30 maart 2022 heeft de rechter-commissaris dit verzoek afgewezen.
De verdachte heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend, dat op 8 april 2022 ter griffie van de rechtbank is ontvangen.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft het bezwaarschrift op 26 april 2022 in raadkamer behandeld. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, is gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. D. Kortekaas gehoord.

Het standpunt van de verdachte

De verdachte kan zich niet vinden in de beslissing van de rechter-commissaris. Namens hem is aangevoerd dat de rechter-commissaris de proceshouding van de verdachte niet in haar beslissing mocht betrekken, dat het niet aan de rechter-commissaris maar aan de reclassering is om de noodzaak van het opstellen van een schorsingsrapportage te beoordelen en dat de reclassering zelf in het voorgeleidingsadvies heeft geadviseerd om een nader rapport aan te vragen. Ook is aangevoerd dat de verdachte wellicht in een justitiële jeugdinrichting geplaatst zou moeten worden en dat de reclassering ook hierover zou moeten adviseren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Het laten opmaken van een schorsingsrapportage is naar haar mening niet van belang in de strafzaak, omdat schorsing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde is gelet op de twaalfjaarsgrond. Dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, maakt bovendien dat de reclassering niet zou kunnen komen tot een delictanalyse en tot advies over hoe het recidivegevaar zou kunnen worden ingeperkt. Gelet op de aard van de zaak is plaatsing in een justitiële jeugdinrichting niet passend. De officier van justitie heeft meegedeeld dat voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak wel een nader reclasseringsadvies is aangevraagd.

Het oordeel van de rechtbank

Het toepasselijke beoordelingskader
Ingevolge artikel 182, eerste lid, Sv kan een persoon die als verdachte van een strafbaar feit is verhoord, of die reeds terzake van een strafbaar feit wordt vervolgd, de rechter-commissaris verzoeken dienaangaande onderzoekshandelingen te verrichten.
Ingevolge artikel 182, zevende lid, Sv kan, indien de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld, de rechter-commissaris indien hij dit noodzakelijk acht, ten aanzien van het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen ambtshalve onderzoekshandelingen verrichten.
Ingevolge artikel 177, tweede lid, Sv, gelezen in samenhang met artikel 147, eerste lid, Sv, kan de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van de reclassering en aan deze de nodige opdrachten geven.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 182 Sv kan worden afgeleid dat de rechter-commissaris een verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen als bedoeld in het eerste lid afwijst “indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing” (Kamerstukken II 2009/10, 32 177, nr. 3, p. 16).
Een vergelijkbare zinsnede komt terug in de rechtspraak van de Hoge Raad over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat van de verdachte mag worden verlangd te motiveren waarom het horen van de gevraagde getuige “van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing” (ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin)).
De rechtbank acht die rechtspraak van overeenkomstige toepassing op verzoeken ex artikel 182, eerste lid, Sv. De rechter-commissaris zal een dergelijk verzoek dus dienen af te wijzen als de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.
De beoordeling van de beschikking van de rechter-commissaris
De beschikking van de rechter-commissaris waarbij het verzoek van de verdachte is afgewezen, houdt – voor zover thans van belang – het volgende in:
“Beoordeling van het verzoek:
De rechter-commissaris is bevoegd op het verzoek te beslissen en overweegt als volgt. Voorop staat dat een schorsingsrapportage niet direct raakt aan de vragen van artikel 348 en 350 Sv. De rechter-commissaris kan op grond van artikel 177 lid 2 juncto artikel 147 lid 1 Sv een opdracht geven aan de reclassering, maar voor een dergelijke opdracht ziet de rechter-commissaris nu geen noodzaak. Er zijn ernstige bezwaren voor betrokkenheid van de verdachte bij een ontploffing in een woonwijk en de verdachte heeft (nog) geen openheid van zaken gegeven over het milieu waarin hij lijkt te verkeren, over gesprekken die hij lijkt te hebben gevoerd, over de indruk dat hij over explosieven beschikt en over contacten die hij lijkt te hebben. Het verstrekken van een opdracht aan de reclassering voor het opmaken van een schorsingsrapportage wordt om die redenen nu niet noodzakelijk geacht. Zijn persoonlijke belangen kan de verdachte in het kader van een schorsingsverzoek zelf toelichten. De rechter-commissaris is daarom van oordeel dat het verzoek afgewezen dient te worden.”
De rechtbank begrijpt de beslissing van de rechter-commissaris als tweeledig. Enerzijds een beoordeling van het verzoek ex artikel 182, eerste lid, Sv. Anderzijds een overweging aangaande het wel of niet toepassen van de ambtshalve bevoegdheid ex artikel 182, zevende lid, Sv en daarbij inroepen van de reclassering als bedoeld in artikel 177, tweede lid, Sv.
In het licht van wat hierboven uiteen is gezet, begrijpt de rechtbank dat de rechter-commissaris in het eerste deel van haar beslissing tot uiting heeft gebracht dat het doen opmaken van een schorsingsrapportage redelijkerwijs niet kan bijdragen aan enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Daarmee heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van de rechtbank de juiste maatstaf toegepast. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om, met toepassing van die maatstaf, anders te oordelen dan de rechter-commissaris. De gevraagde rapportage ziet immers alleen op de mogelijkheid en wenselijkheid van schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, wat niet een beslissing is uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv. Voor zover de verdachte verzoekt de reclassering ook te laten rapporteren over de vraag of hij in een justitiële jeugdinrichting zou moeten worden geplaatst, geldt hetzelfde. Om die redenen dient het bezwaarschrift, voor zover gericht tegen het eerste deel van de beslissing van de rechter-commissaris, ongegrond te worden verklaard.
Voor zover het bezwaarschrift zich richt tegen het tweede deel van de beslissing van de rechter-commissaris, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. De wet voorziet niet in een bezwaarprocedure of (ander) rechtsmiddel tegen de weigering van de rechter-commissaris om gebruik te maken van de ambtshalve bevoegdheid ex artikel 182, zevende lid, Sv.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaarschrift ongegrond, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek ex artikel 182, eerste lid, Sv;
- verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de weigering van de rechter-commissaris gebruik te maken van de ambtshalve bevoegdheid ex artikel 182, zevende lid, Sv.
Aldus beslist te Den Haag door:
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. P. Burgers, rechter,
mr. B.W. Mulder, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven, griffier,
en uitgesproken op 10 mei 2022.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.