ECLI:NL:RBDHA:2022:4277
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bedreigingen vanwege homoseksuele zoon
Eiser, een Russische staatsburger, verzocht asiel op grond van bedreigingen door zijn familie in Tsjetsjenië vanwege de homoseksuele geaardheid van zijn zoon. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de problemen die eiser stelt niet geloofwaardig waren.
Eiser voerde aan dat hij als familielid van een homoseksuele zoon dezelfde risico’s loopt en dat hij daarom ondergedoken heeft gezeten. Tevens stelde hij dat een zienswijze ten onrechte niet was betrokken en dat een inreisverbod onterecht was opgelegd. De rechtbank constateerde dat de zienswijze niet duidelijk was gekoppeld aan het besluit, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat verweerder in het verweerschrift op alle punten was ingegaan.
De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop tussen de vermeende bedreiging en de asielaanvraag afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Bovendien had eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn familie op de hoogte was van de seksuele geaardheid van zijn zoon. De enkele stelling dat van hem werd verwacht zijn zoon te doden was onvoldoende onderbouwd. Ook het inreisverbod was terecht gehandhaafd. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige bedreigingen.