ECLI:NL:RBDHA:2022:4151
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling van vakantietoeslag en leenbijstand restitutie
Eiser, een bijstandsontvanger, verzocht om de vakantietoeslag maandelijks uit te betalen in plaats van jaarlijks, wat door verweerder werd afgewezen. Tevens ging het om restitutie van inhoudingen op leenbijstand en voorschotten die volgens eiser onrechtmatig waren verrekend.
De rechtbank oordeelde dat de wet (artikel 45 Pw Pro) het uitgangspunt van jaarlijkse uitbetaling van vakantietoeslag bepaalt, en dat er geen dringende individuele omstandigheden waren om hiervan af te wijken. Het beroep op dit punt werd daarom ongegrond verklaard.
Ten aanzien van de leenbijstand erkende verweerder dat onterecht huurpenningen waren ingehouden en voorschotten waren verrekend zonder de juiste terugvorderingsbesluiten. De rechtbank stelde vast dat deze handelingen niet binnen de wettelijke bevoegdheid vielen en vernietigde het bestreden besluit voor zover dit betrekking had op deze kwestie.
De rechtbank herroept het primaire besluit en beveelt restitutie van de onterecht ingehouden en verrekende bedragen. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van wettelijke bepalingen en het motiveringsbeginsel bij bestuursbesluiten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over vakantietoeslag is ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit over leenbijstand restitutie is gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen met restitutie van onterecht ingehouden bedragen.