ECLI:NL:RBDHA:2022:4118
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank vernietigt afwijzing mvv-aanvraag op grond van artikel 8 EVRM en beveelt verstrekking
In deze bestuursrechtelijke zaak draait het om de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor drie Eritrese zussen die bij hun broer, de referent, in Nederland willen verblijven. De zussen en referent behoren tot hetzelfde gezin en hebben een beschermenswaardig familieleven. De staatssecretaris wees de aanvraag af op basis van een belangenafweging die volgens de rechtbank onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was.
De rechtbank constateert dat de staatssecretaris niet alle relevante feiten heeft betrokken, zoals de huidige situatie van de zussen in Ethiopië, hun onmogelijkheid terug te keren naar Eritrea vanwege dienstplichtontduiking, en de vluchtelingrechtelijke achtergrond van de referent. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de langdurige scheiding en het feit dat de zussen zich zelfstandig staande hebben gehouden door toedoen van de procedurele vertraging.
De rechtbank vindt dat de belangenafweging niet heeft geleid tot een fair balance tussen het gezinsleven van de zussen en het economisch belang van de Nederlandse Staat. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het economisch belang zwaarder zou wegen. Gezien de omstandigheden en eerdere vernietigingen van besluiten, besluit de rechtbank zelf in de zaak te voorzien en beveelt binnen vier weken verstrekking van de mvv aan de zussen.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de verstrekking van de mvv aan de zussen binnen vier weken.