ECLI:NL:RBDHA:2022:3997
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op duurzaam verblijfsrecht wegens onvoldoende bewijs duurzame relatie
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, had op grond van zijn relatie met een Hongaarse referent een verblijfsdocument als familielid van een EU-burger ontvangen. Verweerder stelde vast dat het verblijfsrecht per 30 augustus 2016 van rechtswege was geëindigd omdat eiser en referent niet konden aantonen minimaal drie jaar een duurzame relatie te hebben gehad. Eiser betwistte dit en stelde dat hij vanaf mei 2013 een relatie had en voor september 2013 samenwoonde met de referent.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de BRP-inschrijving vanaf 27 januari 2014 als startdatum van de gezamenlijke huishouding, omdat eiser wisselende en onvoldoende onderbouwde verklaringen over het moment van samenwonen had gegeven. De overgelegde bewijsstukken, waaronder foto’s en verklaringen, waren niet overtuigend of objectief verifieerbaar.
Daarmee was niet voldaan aan de vereiste van minimaal drie jaar duurzame relatie en was het verblijfsrecht van eiser terecht beëindigd. Ook het bezwaar dat eiser niet was gehoord werd verworpen omdat het horen niet nodig was gezien de duidelijkheid van de zaak. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van eiser tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht en weigering van duurzaam verblijf zijn ongegrond verklaard.