ECLI:NL:RBDHA:2022:3945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
NL22.5806
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArtikel 10 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland op grond van Dublinverordening

Verzoeker, een asielzoeker van Russische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

De voorzieningenrechter toetst of de overdracht aan Duitsland mag plaatsvinden voordat op het beroep is beslist. Verzoeker stelt dat Nederland verantwoordelijk is op grond van artikel 10 van Pro de Dublinverordening en overlegt een originele huwelijksakte waarvan de echtheid nog onderzocht wordt.

Gelet op de belangen en de spoedeisendheid wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de staatssecretaris verzoeker niet overdraagt aan Duitsland totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De voorzieningenrechter bepaalt dat de staatssecretaris verzoeker niet overdraagt aan Duitsland totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.5806

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Russische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 22 april 2022 heeft verweerder verzocht het beroep aan te houden en het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.
Verzoeker heeft op 26 april 2022 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen aanhouding van het beroep.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder zitting.
2.1.
De voorzieningenrechter acht in het onderhavige geval termen aanwezig om van deze bevoegdheid gebruik te maken en overweegt daartoe als volgt.
3. Uit het bestreden besluit volgt dat verzoeker de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Getoetst moet worden of de overdracht verboden moet worden omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.
3.1.
In geschil is of verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling heeft kunnen nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming.
3.2.
In de gronden van beroep heeft eiser – kort samengevat – aangevoerd dat niet Duitsland, maar Nederland verantwoordelijk is, op grond van artikel 10 van Pro de Dublinverordening, voor het verzoek om internationale bescherming. Verzoeker stelt te beschikken over een originele huwelijksakte.
3.3.
Verweerder heeft vervolgens aangegeven dat hij de echtheid van de huwelijksakte wil laten onderzoeken door Bureau Documenten. Verweerder verzoekt de rechtbank het geplande beroep aan te houden en de voorlopige voorziening toe te wijzen.
3.4.
Verzoeker heeft vervolgens aangegeven geen bezwaar te hebben tegen aanhouding van het beroep.
4. Gelet op het voorgaande en met toepassing van artikel 8:84 juncto Pro artikel 8:83, derde lid, van de Awb wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en bepaalt dat verweerder verzoeker niet overdraagt aan Duitsland totdat op zijn beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • bepaalt dat verweerder verzoeker niet overdraagt aan Duitsland voordat op zijn beroep is beslist;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Versteeg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.