ECLI:NL:RBDHA:2022:392
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over wedertoelating en inreisverbod in vreemdelingenrecht
Eiser, oorspronkelijk van Turkse nationaliteit en thans staatloos, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en opheffing van een ongewenstverklaring. Verweerder wees de aanvraag af vanwege een inreisverbod dat nog steeds zou gelden. De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod feitelijk niet meer gold en dat verweerder ten onrechte volhardde in het inreisverbod zonder eiser hierover te horen.
Eiser stelde dat hij aan de tien-jareneis van artikel 3.92 Vb voldeed en dat Nederland het meest aangewezen land voor hem is, mede gezien zijn langdurige verblijf, worteling, psychische problematiek en het overlijden van zijn partner in Nederland. Verweerder oordeelde echter dat Nederland niet het meest aangewezen land is, wat de rechtbank terughoudend toetste en in redelijkheid aannam.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het het inreisverbod betrof, maar handhaafde de afwijzing van de verblijfsvergunning. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank wees erop dat een beroep op artikel 8 EVRM Pro in deze procedure niet tot verblijf leidt en dat eiser daarvoor een aparte aanvraag moet indienen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor het inreisverbod en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar het beroep wordt ongegrond verklaard voor de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.92 Vb.