ECLI:NL:RBDHA:2022:3847
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf afgewezen
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als echtgenoot, kreeg deze vergunning ingetrokken omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd. De intrekking was gebaseerd op artikel 19 in Pro samenhang met artikel 18 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser voerde aan dat hij voor studie tijdelijk in het buitenland verbleef maar zijn hoofdverblijf in Nederland had gehouden, en dat hij niet langer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland was geweest. De rechtbank stelde echter vast dat eiser geen bewijsstukken had overgelegd die zijn stelling ondersteunen, ondanks dat verweerder hier nadrukkelijk om had gevraagd.
Verder stelde eiser dat hij niet gehoord was over zijn bezwaar, maar de rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan terecht van het horen had afgezien omdat op voorhand duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in Nederland had gehouden en verklaarde het beroep daarom ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens verplaatsing van het hoofdverblijf wordt ongegrond verklaard.