ECLI:NL:RBDHA:2022:3823
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning na beëindiging huwelijk en niet voldoen aan voorwaarden associatierecht
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij echtgenote, kreeg deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 12 juni 2020 omdat de huwelijksrelatie feitelijk was verbroken en hij niet meer aan de voorwaarden van het verblijfsrecht voldeed.
Verweerder stelde dat de relatie sinds genoemde datum was beëindigd, mede op basis van verklaringen van de echtgenote en het feit dat zij niet meer samenwoonden. Eiser voerde aan dat de intrekking pas na 22 februari 2021 mogelijk was, verwijzend naar een eerdere verklaring van herstel van de relatie en het arrest Unal van het Hof van Justitie EU.
De rechtbank oordeelde dat de relatie inderdaad op 12 juni 2020 was verbroken, waarbij de instemming van beide partners vereist is voor het bestaan van een relatie. De latere verklaring van herstel werd teruggenomen onder dwang, waardoor deze niet doorslaggevend was. Het beroep op het arrest Unal faalde omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarde van een jaar legale arbeid.
Ook werd geoordeeld dat de intrekking niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, omdat het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog dan het persoonlijk belang van eiser, die pas sinds eind 2019 in Nederland verbleef en onvoldoende bijzondere banden had opgebouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.