ECLI:NL:RBDHA:2022:3552
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens reeds beslist beroep vreemdelingenrecht
Verzoeker had een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Echter, op de dag van de uitspraak had de rechtbank het beroep van verzoeker gegrond verklaard, waardoor er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer liep.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €759,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en griffier J.F.A. Bleichrodt op 15 april 2022. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep van verzoeker inmiddels gegrond is verklaard.