Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[verzoeker(s)] ,
[verzoeker(s)] ,
1.[belanghebbende(n)] ,
[belanghebbende(n)] ,
Rechtbank Den Haag
In een langlopend burengeschil over de uitvoering van een arrest van het Gerechtshof Den Haag betreffende de bouw van een muur en schutting op de erfgrens, hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter die betrokken was bij de behandeling van twee civiele procedures. Het wrakingsverzoek betrof de houding en vraagstelling van de voorzieningenrechter tijdens een zitting op 1 februari 2022 en een descente op 3 maart 2022.
De wrakingskamer oordeelt dat het verzoek voor zover het ziet op de zitting van 1 februari 2022 te laat is ingediend en niet ontvankelijk is. De gronden die tijdens de descente zijn aangevoerd, geven geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. De voorzieningenrechter heeft binnen haar rechterlijke vrijheid gehandeld, onder andere door eerst de actuele situatie ter plaatse te bekijken en vragen te stellen over de voortgang van onderhandelingen.
De opmerkingen van de voorzieningenrechter, waaronder een minder gelukkige opmerking over de duur van het plaatsen van een schutting, kunnen niet leiden tot het oordeel van partijdigheid. De wrakingskamer concludeert dat de voorzieningenrechter onpartijdig is gebleven en wijst het wrakingsverzoek af. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve gronden voor partijdigheid.