Verzoekster exploiteert een inrichting voor de productie van carbon black waarbij restgas via naverbrandingsinstallaties wordt gezuiverd. Verweerder legde een last onder dwangsom op wegens overschrijding van SO2-emissiewaarden volgens artikel 5.4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Verzoekster betwist dat haar verbrandingsinstallaties onder paragraaf 5.1.1 van het Activiteitenbesluit vallen, stellende dat deze installaties naverbranders zijn die zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de installaties niet onder deze uitzondering vallen.
De voorzieningenrechter overweegt dat de definitie van stookinstallatie in het Activiteitenbesluit ook naverbranders omvat en dat de installaties van verzoekster voldoen aan de definitie van naverbrandingsinstallatie zoals in het Uitvoeringsbesluit is opgenomen. Het terugwinnen van warmte sluit niet uit dat het om naverbranders gaat.
Daarom wordt het primaire besluit geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.