ECLI:NL:RBDHA:2022:2446
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Irak wegens onvoldoende aannemelijk risico op vervolging of ernstige schade
Eiser, een Iraakse asielzoeker, vordert een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming vanwege bedreigingen, ontvoering en discriminatie in Irak. Verweerder wijst de aanvraag af omdat de problemen door werk niet onder het Vluchtelingenverdrag vallen en de ontvoering ongeloofwaardig is.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de problemen van eiser niet gerelateerd zijn aan vervolgingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vanwege zijn Soennitische achtergrond een onhoudbare situatie in Irak heeft. De stellingen over een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer worden onvoldoende geconcretiseerd en de aangevoerde rapporten zijn niet toegespitst op de individuele situatie.
Verder worden tegenstrijdigheden in de verklaringen over de ontvoering en de onvoldoende onderbouwing van de video’s op een USB-stick als bewijs genoemd. Medische klachten van eiser zijn niet voldoende onderbouwd om uitstel van vertrek te rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van de Iraakse asielzoeker wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.