ECLI:NL:RBDHA:2022:2052
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken nieuwe feiten
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit houdende langdurig ingezetene in Italië, diende op 3 januari 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eerder was een soortgelijke aanvraag in 2017 reeds afgewezen en deze beslissing was ook in hoger beroep bevestigd.
De rechtbank oordeelt dat de stukken die eiser bij de nieuwe aanvraag heeft overgelegd grotendeels niet als nieuw kunnen worden aangemerkt, omdat ze al in eerdere procedures waren ingediend of dateren van vóór het eerdere besluit. De nieuw overgelegde stukken die wel na het eerdere besluit dateren, zoals aangiften omzetbelasting over 2019 en een aangepast ondernemingsplan, zijn onvoldoende om de eerdere afwijzing te weerleggen, mede omdat belangrijke stukken zoals de aangiften omzetbelasting over 2018 ontbreken.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de onduidelijkheid over de winstverdeling tussen eiser en zijn medevennoten niet is weggenomen. De verklaring van de boekhouder over uitbreidingsplannen is onvoldoende concreet en de financiële stukken ondersteunen de gestelde verhoging van het winstpercentage niet overtuigend. Ook is de hoorplicht niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning als zelfstandige wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.