ECLI:NL:RBDHA:2022:2046
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsdocument wegens onvoldoende motivering artikel 8 EVRM toetsing
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vader, vroeg om een verblijfsdocument als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse zoon. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht en dat zijn zoon gedwongen zou worden de EU te verlaten zonder zijn verblijf.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was en dat hij wel zorg- en opvoedtaken verrichtte, onderbouwd met diverse verklaringen en bewijsstukken. De rechtbank oordeelde dat deze stukken slechts contactmomenten aantonen en niet dat eiser daadwerkelijk bij de dagelijkse zorg betrokken is. Ook de stelling van overmacht vanwege zijn verblijfsstatus werd verworpen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen toetsing aan artikel 8 EVRM Pro heeft plaatsgevonden. Dit was een schending van de motiveringsplicht. Daarom werd het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard vanwege het gebrek in de motivering omtrent artikel 8 EVRM Pro, ondanks dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van het Chavez-arrest voor een verblijfsdocument.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent artikel 8 EVRM toetsing en verweerder moet een nieuw besluit nemen.