ECLI:NL:RBDHA:2022:1955
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging in Algerije
Eiser, een Algerijnse staatsburger, verzocht asiel in Nederland met het argument dat hij vanwege zijn lidmaatschap van een studentenvereniging en contacten met een medewerker van de Algerijnse veiligheidsdienst gevaar liep. Tevens vreesde hij vervolging wegens het niet vervullen van zijn dienstplicht. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees de asielaanvraag af omdat de gestelde problemen onvoldoende concreet en geloofwaardig waren.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de identiteit en achtergrond van eiser geloofwaardig waren, zijn verklaringen over de dreiging door de veiligheidsdienst onvoldoende concreet waren. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden wegens dienstplichtontduiking, mede gelet op rapporten waaruit blijkt dat deze niet actief wordt vervolgd.
Eiser had bovendien zonder bescherming te zoeken vier maanden in Frankrijk verbleven, hetgeen afbreuk deed aan zijn dringende behoefte aan bescherming. Zijn gewetensbezwaren tegen het vervullen van de dienstplicht waren niet onderbouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.