Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser 1] ,te [woonplaats 1] , als rechtsopvolger van
[B.V.] B.V.te [vestigingsplaats]
,en
2.
[eiser 2] ,te [woonplaats 2] , eisers
(gemachtigde: mr. M.H. Fleers),
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1 mei 2020, ruim drie weken na de datum van het bestreden besluit, een garagebox gehuurd in een parkeergarage aan de nabijgelegen Van Diemenstraat. Vast staat dat hiermee op alternatieve wijze in de benodigde extra parkeerplaats wordt voorzien. Weliswaar is de huurovereenkomst pas kort na het bestreden besluit tot stand gekomen, maar de rechtbank vindt het niet redelijk dat in dit geval aan eiser wordt tegengeworpen dat de parkeerplaats formeel nog niet was geregeld. Indien verweerder op dit punt een nadere onderbouwing had gewenst, dan had verweerder daarnaar kunnen vragen. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt echter dat de benodigde parkeerplaats helemaal niet aan de orde is geweest. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 5, lid 5.1, onder a van de regels van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren’.
Beslissing
- verklaart het beroep, voor zover ingediend door [eiser 2] , niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover ingediend door [eiser 1] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen een termijn van zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het door eiser [eiser 1] betaalde griffierecht van
- veroordeelt verweerder in de door eiser [eiser 1] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.518,-.
mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
10 maart 2022.