ECLI:NL:RBDHA:2022:1709

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2022
Publicatiedatum
4 maart 2022
Zaaknummer
NL21.17926
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUVreemdelingencirculaire 2000ECLI:EU:C:2017:354 (Chavez-Vilchez)ECLI:EU:C:2005:95 (Oulane)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsrecht op grond van niet-aannemelijk gemaakte identiteit en nationaliteit

Eiseres, geboren in 1998 en geregistreerd als burger van Bosnië-Herzegovina, verzocht om een verblijfsdocument op grond van het Unierecht, afgeleid van het verblijfsrecht van haar Nederlandse kinderen. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiseres geen geldig paspoort of identiteitskaart kon overleggen en haar identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig kon aantonen met andere documenten.

Eiseres overhandigde een verlopen paspoort en andere documenten zoals een Duitse Dulding en een uittreksel uit een Duits geboorteregister, die niet door de Bosnische autoriteiten waren afgegeven. De rechtbank oordeelde dat deze documenten onvoldoende zijn om haar identiteit en nationaliteit aan te tonen, en dat de familierechtelijke relatie met haar kinderen daardoor niet kon worden vastgesteld.

Eiseres gaf aan een geboorteakte uit Italië te proberen te verkrijgen, maar deze was nog niet overlegd. De rechtbank stelde dat het ontbreken van deze akte en het feit dat eiseres haar identiteit niet aannemelijk maakte, rechtvaardigt dat de aanvraag wordt afgewezen. Ook werd geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel niet werd geschonden en dat het terugkeerbesluit terecht was uitgevaardigd.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eiseres werd gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte identiteit en nationaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.17926

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] bekend als [naam 2], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.M. van de Wouw),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 22 oktober 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 februari 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook haar partner is verschenen. Als tolk is verschenen S.B. Pavlov. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 [1] en een Burger van Bosnië-Herzegovina te zijn. Eiseres stelt de moeder te zijn van [naam kind 1] en [naam kind 2], geboren op respectievelijk [geboortedatum kind 1] 2015 en [geboortedatum kind 2] 2019. Zij bezitten de Nederlandse nationaliteit. Op 15 september 2020 heeft eiseres in Nederland een aanvraag ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat zij een verblijfsrecht heeft op grond van het Unierecht. Eiseres stelt daartoe een van het verblijfsrecht van haar kinderen afgeleid verblijfsrecht te hebben op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [2] en het arrest Chavez-Vilchez. [3]
2. Bij besluit van 30 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt door het overleggen van een geldig paspoort of identiteitskaart dan wel haar identiteit en nationaliteit op andere wijze ondubbelzinnig heeft aangetoond. Bij de aanvraag heeft eiseres een verlopen paspoort overgelegd. Bovendien stelt eiseres dat de personalia in het paspoort onjuist zijn. Eiseres stelt dat haar juiste gegevens zijn vermeld op de door haar overgelegde ‘Dulding’, het uittreksel uit het Duitse geboorteregister van [naam kind 2] van [datum] 2019 en de Duitse goedkeuring van vaderschap van 30 juli 2019. Verweerder stelt dat dit geen documenten zijn waarmee eiseres haar identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantoont. Het zijn namelijk geen officiële stukken van de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina. Er kan daarom ook niet worden vastgesteld dat eiseres de moeder is van de kinderen.
3. Eiseres stelt dat zij haar identiteit en nationaliteit voldoende aannemelijk heeft gemaakt met de overgelegde documenten. Zij heeft van haar moeder vernomen dat zij is geboren in Italië. Zij probeert thans een geboorteakte te verkrijgen van de Italiaanse autoriteiten, om vervolgens een nieuw paspoort met de juiste personalia aan te vragen. Eiseres is bij deze procedure geregistreerd als burger van Bosnië-Herzegovina. Verweerder heeft daarmee aangenomen dat zij een derdelander is en het wordt impliciet vastgesteld dat eiseres geen verblijfsrecht in de Europese Unie heeft. Verder is eiseres nog nooit in Bosnië-Herzegovina geweest, dus kan zij daar ook niet naar terugkeren. Het terugkeerbesluit is daarom onterecht uitgevaardigd. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere individuele omstandigheden. Dit is in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 12 juni 2020. [4]
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Ingevolge paragraaf B10/2.2 onder a van de Vc [5] dient een vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen. De bewijslast om aan te tonen dat aan deze voorwaarde wordt voldaan rust op de vreemdeling. [6]
5. Niet in geschil is dat eiseres geen geldig paspoort of identiteitskaart heeft overgelegd waarmee zij haar identiteit en nationaliteit heeft aangetoond. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiseres met de door haar overgelegde stukken haar identiteit en nationaliteit ook niet ondubbelzinnig heeft aangetoond. Daardoor kan de gestelde familierechtelijke relatie met de kinderen ook niet aangetoond worden. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan voorwaarde A zoals neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc.
6. Ter zitting heeft eiseres medegedeeld dat haar juiste achternaam [naam 3] zou zijn en er momenteel een geboorteakte wordt opgemaakt in Italië. Deze geboorteakte zal haar juiste identiteit en nationaliteit aantonen. De geboorteakte is echter nog niet overgelegd en het is onduidelijk wanneer eiseres deze zal ontvangen. Het staat eiseres vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen zodra zij de geboorteakte heeft ontvangen.
7. Voor zover eiseres stelt dat het voldoende is om enkel aannemelijk te maken dat zij een derdelander is, geldt dat het eventueel aanmerken van eiseres als derdelander onverlet laat dat haar identiteit en nationaliteit dan nog altijd niet aangetoond zijn en er een bewijslast op eiseres rust om haar identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken dan wel ondubbelzinnig aan te tonen met andere middelen.
8. Er is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan het onverkort vasthouden aan de eis dat eiseres haar identiteit en nationaliteit dient aan te tonen in strijd zou zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Dat eiseres al langere tijd kampt met het probleem dat zij geen documenten kan aanvragen die haar identiteit en nationaliteit aantonen en dat zij uit een rondtrekkende Roma familie komt, is daartoe onvoldoende.
9. De stelling van eiseres dat zij nog nooit in Bosnië-Herzegovina is geweest, leidt niet tot het oordeel dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.op sommige documenten is de datum 11 december 2001 genoemd.
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Zie voor dit uitgangspunt het arrest Oulane van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 februari 2005 (ECLI:EU:C:2005:95) en het arrest Chavez-Vilchez.