ECLI:NL:RBDHA:2022:16281

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
15 januari 2025
Zaaknummer
EOB-1-2021030986
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in beklag tegen inbeslagname op grond van Europees Onderzoeksbevel

Naar aanleiding van twee Europese Onderzoeksbevelen van Belgische autoriteiten werd op 29 september 2021 beslag gelegd op goederen van klager. Klager diende op 9 december 2021 een beklag in bij de rechtbank Den Haag, strekkende tot teruggave van de goederen.

De rechtbank behandelde het beklag in besloten raadkamer op 11 januari 2022. Klager werd gehoord, evenals de officier van justitie. De Belgische autoriteiten hadden geheimhouding gevraagd over het onderliggende onderzoek, waardoor de stukken niet aan klager werden verstrekt.

Klager stelde dat hij niet op de hoogte was van de termijn van veertien dagen voor het indienen van het klaagschrift en dat hij de brief over de inbeslagname pas een maand na de doorzoeking ontving. De officier van justitie stelde dat klager niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het niet tijdig indienen van het klaagschrift.

De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was kennis te nemen van het beklag, maar dat klager niet-ontvankelijk was omdat het klaagschrift buiten de wettelijke termijn van veertien dagen was ingediend. Er was geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De overschrijding van de wettelijke termijn van dertig dagen voor het nemen van een beschikking leidde niet tot een ander oordeel.

De rechtbank verklaarde het beklag van klager niet-ontvankelijk en sprak dit uit in een openbare zitting op 25 januari 2022.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het klaagschrift.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK DEN HAAG
Strafrecht
Lurisnummer: EOB-1-2021030986 Raadkamernummer: 21/2991
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1997,
adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
hierna: klager.
1.
Inleiding
Naar aanleiding van twee Europese Onderzoeksbevelen (hierna: EOB's) van de Belgische autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, op 29 september 2021 beslag gelegd op de goederen vermeld in het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 28 oktober 2021 (bijlage 1).
Klager heeft op 9 december 2021 bij deze rechtbank een beklag ex artikel 552a Sv ingediend, strekkende tot teruggave van voormelde goederen.

2.De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit beklag op 11 januari 2022 in besloten raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van het dossier met bovengenoemd lurisnummer.
De Belgische autoriteiten hebben in de aanhef van de door hen uitgevaardigde EOB's verzocht om geheimhouding van het onderliggende onderzoek. De EOB's en de onderliggende stukken zijn daarom niet verstrekt aan klager.
Klager is gehoord. De officier van justitie, mr.
A.M.Ariese, is gehoord.

3.Het standpunt van klager

Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen goederen en gegevens aan hem teruggegeven dienen te worden. Klager was niet op de hoogte van de termijn van 14 dagen om een klaagschrift in te dienen. De brief over de inbeslagname van de goederen heeft hij pas een maand na de doorzoeking ontvangen.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het klaagschrift niet tijdig is ingediend. De officier van justitie merkt op dat hij in overleg zal treden met de Belgische autoriteiten over het onder klager inbeslaggenomen geld.

5.Het oordeel van de rechtbank

5.1
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het beklag, nu de erkenning en tenuitvoerlegging van de EOB's is geschied door de officier van justitie van het arrondissementsparket te Den Haag.
5.2
Oe ontvankelijkheid van klager
Ingevolge artikel 5.4.10 Sv moet een beklag tegen inbeslagname naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van het rechtsmiddel worden ingediend bij de rechtbank.
Na de beslaglegging op 29 september 2021 is aan klager door het toezenden van het proces­ verbaal van doorzoeking d.d. 28 oktober 2021 kennisgeving verstrekt. Klager heeft vervolgens buiten de termijn van veertien dagen zijn klaagschrift ingediend bij de rechtbank, zodat hij niet kan worden ontvangen in zijn beklag. Van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is de rechtbank niet gebleken.
Ten overvloede constateert de rechtbank dat de in artikel 5.4.10, vierde lid, Sv neergelegde wettelijke termijn van dertig dagen om tot een beschikking te komen, is overschreden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van het beklag, nu deze krappe termijn - evenals de andere termijnen met betrekking tot het EOB - tot doel heeft de doorlooptijden in de internationale samenwerking te beknotten en niet het borgen van de belangen van individuele betrokkenen.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. K.C.J. Vriend, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Lammerts van Bueren, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van
25 januari 2022.
Deze beslissing is ondertekend door de rechter en de griffier.